In de tekst van Bruno en in de tekst van de Statenvertaling heb ik markeringen aangebracht voor de belangrijkere verschillen. Wat ik nog niet gedaan heb is ook markeren welke van deze verschillen verklaard kunnen worden uit de tekst van de kanttekeningen. De markeringen kunnen zichtbaar gemaakt worden met behulp van een speciaal stylesheet. Ik bied het resultaat hier aan als demonstratie van de mogelijkheden. (Een voor de hand liggende uitbreiding zou bijvoorbeeld zijn om toelichting op verschillen te tonen op het moment dat de muis op een gemarkeerde passage wordt geplaatst)188.
Legenda:
Toevoegingen in rood
Verwijderingen in blauw
Wijzigingen in bruin
Cap. I. |
||
| (Bruno) |
(Statenvertaling) | |
| 1. | Dit is het
Hooghe-liedt,
*dit is het Lied'ren Liedt* , 't Welck Salomons is, * en op Iesus Christus siet,* *Wiens Voorbeelt dat hy was door wijsheyt, leer en throon.* *Dit is het Bruylofts-Liedt van Godts Kerck en Godts Soon.* |
1. Het Hooglied, ** hetwelk van Salomo is ** . |
| 2. | Hy kuss' my met 't gekus van sijne mondt; want dijn Wtnemend' liefde die is beter dan de wijn. |
2. Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. |
| 3. | *Vw' Oly-reuck is goedt* , een Oly is uw' naem, Diemen uyt-stort, *dus zijt ghy Maeghden aengenaem* . |
3. *Uw olien zijn goed tot reuk* , Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; *daarom hebben U de maagden lief* . |
| 4. | Treckt my, wy loopen ** na; de Coningh braght my in Sijn Binne-kameren; wy sullen in *uw' minn'* Verheught zijn ** , ** meer sal *uw' mins grootheydt* dan de wijn Vermeldt zijn; *want oprecht zijn, die uw' Minnaers zijn* . |
4. Trek mij, wij zullen *U* nalopen! De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en *in U* *verblijden* ; *wij* zullen *Uw uitnemende liefde* vermelden, meer dan den wijn; *de oprechten hebben U lief* . |
| 5. | Ghy Dochteren die in Ierusalem zijt, ick Swart *uyterlick* , ben *in 't inwendigh* lieffelick. Ick ben gelijckerwijs de Tenten Kedars zijn. Ick ben gelijckerwijs een Salomons gordijn. |
5. Ik ben zwart ** , doch ** liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo. |
| 6. | Siet my niet aen dat ick swartachtigh ben, om dat My Son beschenen heeft, 't kroost, 't gheen mijn Moeder hadt, Ontstack sich tegen my *in een vergramde sin* ; Sy hebben my geset tot eene Hoederinn' Der Wijngaerden: *van 't volcks versamelingh tot 't goedt* ; Mijn Wijngaerd' dien ick hebb', en heb ick niet gehoedt. |
6. Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken ** , zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden ** . Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed. |
| 7. | Ghy, dien mijn ziele lief *en waerdt* heeft, seght my
aen, Waer dat ghy weydt, waer ghy de Kudd' doet Legher slaen, Als 't middagh is, want *tot wat reden streckte mijn* *Bedeckingh, by de Kudd', daer uw' Gesellen zijn* ? |
7. Zeg mij aan, [Gij], Dien mijn ziel lief ** heeft, waar Gij weidt, waar Gij [de] [kudde] legert in den middag; want *waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden Uwer metgezellen* ? |
| 8. | O ghy der Wijven schoonst', indien ghy 't niet en weet, Soo gaet dan uyt op Schaeps voet-stappen, *ende treet* *Voort henen* , ende weydt uw' Geyten, *slaet haer acht,* By *Huys en Wooningen* van 't *Herderen geslacht* . |
8. Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen der schapen ** , en weid uw geiten ** bij *de woningen* der *herderen* . |
| 9. | O mijn' Vriendinn', ghy zijt in vergelijckingh soo By my, als Peerden in de Waghens Pharao. |
9. Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao. |
| 10. | Vw' wangen draghen in de spangen lieflickheydt, In Peerle-snoeren heeft uw' hals *het soet' bereydt* . |
10. Uw wangen zijn liefelijk in de spangen, uw hals in de parelsnoeren ** . |
| 11. | Wy sullen spangen van fijn goudt doen *aen uw'
boordt* Met silv're stipkens, *met al wat daer toe behoort* . |
11. Wij zullen u gouden spangen maken ** , met zilveren stipjes ** . |
| 12. | Terwijl de Coningh aen sijn ronde Tafel is, Krijght door mijn Nardus hy sijn reuck en laeffenis. |
12. Terwijl de Koning aan Zijn ronde tafel is, geeft mijn nardus zijn reuk. |
| 13. | Een bundel Myrrh' is my mijn Liefst' *in mijn
gedacht'* Dat tusschen borsten *mijns vergaderinghs vernacht* . |
13. Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre ** , [dat] tussen mijn borsten vernacht ** . |
| 14. | Een Tross' van Cyprus is mijns herten-liefst' voor
my, In de Wijngaerden van *de stadt van* Engedy. |
14. Mijn ** Liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van ** En-gedi. |
| 15. | Siet, ghy zijt schoon, siet ghy
zijt schoone, mijn Vriendin*, En Duyven-ooghen zijn uw' ooghen *in uw' min* . |
15. Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven [ogen] ** . |
| 16. | Mijn Liefste, siet ghy zijt *met schoonheydt heel
bekleedt;* Ia lieflick zijt ghy, oock groent onse Bedde-steedt. |
16. Zie, gij zijt *schoon* , mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede. |
| 17. | Van Ced'ren-balcken is ons Huys *te saem'* gebouwt, Ons' Galeryen zijn *oock* van Cypressen *Hout* . |
17. De balken onzer huizen zijn cederen ** , onze galerijen zijn ** cipressen ** . |
Cap. II. |
||
| (Bruno) |
(Statenvertaling) | |
| 1. | Ick ben een Roose uyt het *lustigh* Sarons *Lant* , En Lelie die in de Dalen *is gheplant* . |
1. Ik ben een Roos van ** Saron ** , een Lelie der dalen ** . |
| 2. | Als *onder* Doornen* is een Lely*, soo sal mijn Vriendinne in 't ghetal oock vande Dochters zijn. |
2. Gelijk een *lelie* *onder de doornen* , alzo is Mijn vriendin onder de dochteren. |
| 3. | Als d' Appel-boom is by de Boomen van het Woud, Is hy by Soonen, *dien ick voor mijn Liefste houd'* : In sijne schaduw' heb ick groote lusts *genucht* . 'K sit onder die, en mijn gehemelt smaeckt sijn vrucht. |
3. Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is *mijn Liefste* onder de zonen; ik heb groten lust ** in Zijn schaduw, en zit er [onder], en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. |
| 4. | Hy voert my in het huys *van Blijdtschap* en van Wijn, En over my liet hy liefd' *mijn* baniere zijn. |
4. Hij voert mij in het ** wijnhuis, en de liefde is *Zijn* banier over mij. |
| 5. | Ghylieden onder-steunt my met de Flesschen; sterckt Met d' App'len my, dewijl de liefd' my kranckheydt werckt. |
5. Ondersteunt gijlieden mij met de flessen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde. |
| 6. | Dat sijne slincker-handt my tot een hooft-rust zy, En sijne rechter-handt om-hels' *uyt liefde* my. |
6. Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze ** mij. |
| 7. | Ghy Dochters *Iuda* , ick besweer' u *in dees' tijdt* , Die by de Rheen, of by de Velden-Hinden zijt, Dat ghy die liefd' niet weckt noch wacker *uyt* de rust* En maeckt, tot dat het selfs de selve *smaeckt en* lust. |
7. Ik bezweer u, gij, dochteren van *Jeruzalem* ** ! [die] bij de reeen, of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker ** maakt, totdat het [dezelve] ** luste! |
| 8. | Dat is mijns Liefstens stem; siet hem, hy komt, springht
op De Berghen, huppelend' gaet hy op d' Heuv'len *top* . |
8. [Dat] is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen ** ! |
| 9. | Mijn Liefste is een Rhee of Herten-Welp gelijck. Siet, achter onse Muer, staet hy, *op dat* hy kijck' Uyt vensteren, *op datmen* uyt de tralien Sijn blinckend' *glinsteren, gelijck een Bloeme, kenn'* . |
9. Mijn Liefste is gelijk een ree, of een welp der herten; ziet, Hij staat achter onzen muur, ** kijkende uit de vensteren, ** blinkende uit de tralien ** . |
| 10. | Mijn Liefste antwoordt, en seydt tot my, mijn
Vriendinn', Mijn Schoone, *rijst* , staet op, komt *tot my herwaerts in* . |
10. Mijn Liefste antwoordt, en zegt tot mij: ** Sta op, Mijn vriendin, Mijn schone, en kom ** ! |
| 11. | Want siet, de Winter is voorby, de Reghen-plas Is over, hy is wegh gegaen *van daer hy was* . |
11. Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan ** ; |
| 12. | Men siet in 't Landt de Bloem, Zangh-tijdt genaeckt, en
't woort Der Tortel-duyven stemm' werdt in ons Landt gehoort. |
12. De bloemen worden gezien in het land, de zangtijd genaakt, en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land. |
| 13. | Sijn Ionghen werden van den Vijgh-boom
voort-gebracht; De Wijn-stock geeft sijn reuck door jonghe Druyfkens dracht, *Teêr, kleyn, groen, en onrijp* ; Staet op, o mijn' Vriendin', Mijn' Schoone, rijst, staet op, komt tot my herwaerts in. |
13. De vijgeboom brengt zijn jonge vijgjes voort, en de wijnstokken geven reuk [met] [hun] jonge druifjes. ** Sta op, Mijn vriendin! Mijn schone, en kom! |
| 14. | Mijn Duyve, ghy die in der Rotzen kloven woont, En in 't verborghen van een steyle plaetse, toont My uw' gedaent', doet dat uw' stemm' door 't hooren blijck', Want uwe stemm' is soet, uw' *aensicht* lieffelijck. |
14. Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene ener steile plaats, toon Mij uw gedaante, doe Mij uw stem horen; want uw stem is zoet, en uw *gedaante* is liefelijk. |
| 15. | Vanght ghy de Vossen ons, de kleyne Vossen, die Den Wijn-gaerden zijn ten verderve, want ick sie Dat onse Gaerden *en de stocken die de Wijn* *Voort-brenghen* , nu ter tijdt vol jonghe Druyfkens zijn. |
15. Vangt gijlieden ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven, want onze wijngaarden ** [hebben] jonge druifjes. |
| 16. | Mijn Liefst' is mijn', en ick ben sijne, *dien hy
leydt* ; Die onder Lelyen *genoeghelijck my* weydt; |
16. Mijn Liefste is mijn, en ik ben Zijn ** , Die ** weidt onder de lelien, |
| 17. | Tot dat dien dagh aen-komt, tot dat de schaduwen Wegh-vlieden: keert u om, *die ick voor Liefst' erkenn'* ; Wordt ghy ghelijck een Rhee, of als een Welp van 't Hert, Het welck op Bethers Bergh *door Iacht gevangen wert* . |
17. Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden; keer om, *mijn Liefste* ! wordt Gij gelijk een ree, of een welp der herten, op de bergen van Bether ** . |
Cap. III. |
||
| (Bruno) |
(Statenvertaling) | |
| 1. | Snachts socht ick hem ** op 't Bed, *daer op mijn liefde
leydt* ; 'k Socht hem, maer ick en vond hem *by my* niet; ick seyd', |
1. Ik zocht des nachts op mijn leger ** Hem, *Dien mijn ziel liefheeft* ; ik zocht Hem, maar ik vond Hem ** niet; [ik] [zeide]: |
| 2. | Ick sal nu op-staen; ick sal om-gaen in de Stadt; 'K sal in de wijcken gaen, en in der straten padt. Ick sal hem soecken, dien mijn ziel' met liefde siet, Ick socht hem *neerstelick* , maer ick en vondt hem niet. |
2. Ik zal nu opstaan, en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken, Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem ** , maar ik vond Hem niet. |
| 3. | My vond de Wacht, die door de stadt omgaende *sweeft* , Ick seyde, saeght ghy niet, dien mijne ziel liefheeft? |
3. De wachters, die in de stad omgingen ** , vonden mij: [ik] [zeide]: Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft? |
| 4. | Doe ick een weynighsken van hen was wegh-gegaen, Vondt ick *en trof* hem, dien mijn' ziele lief heeft, aen. Ick hield hem vast, en ick liet hem niet gaen, tot dat, Tot dat in 's Moeders Huys ick hem geleydet had. Tot dat hy met my inde Binne-kamer gingh, Van die my heeft gebaert, *en my in haer ontfingh.* |
4. Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik ** Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft ** . |
| 5. | Ghy Dochters *Iuda* , ick besweer' u *in dees' tijdt* , Die by de Rheen, of by der Velden Hinden zijt, Dat ghy die liefd' niet weckt, noch wacker uyt de rust En maeckt, tot dat het selfs de selve smaeckt en lust. |
5. Ik bezweer u ** , gij dochteren van *Jeruzalem* ! die bij de reeen of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het [haar] luste! |
| 6. | Wie is sy doch die daer op-komt uyt de Woestijn Beroockt, gelijckerwijs de Roock-pylaren zijn, Met Myrrh' en wieroocks-reuck, wie is sy, wie komt hier, Met alle poeder van *Droguist en* Kruydenier? |
6. Wie is zij, die daar opkomt uit de woestijn, als rookpilaren, berookt met mirre en wierook, [en] met allerlei poeder des ** kruideniers? |
| 7. | Siet, rondom 't Bedde, daer op Salomo *vernacht* , Zijn tsestigh Helden, van die Israël *voort-bracht* . |
7. Ziet, het bed, dat Salomo *heeft* , daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israel ** ; |
| 8. | Die alle houden 't sweerdt, ter Oorloghe geleert, Elck hebbend', wegens schrick des nachts, aen d' heup sijn sweert. |
8. Die altemaal zwaarden houden, geleerd ten oorlog, elk hebbende zijn zwaard aan zijn heup, vanwege den schrik des nachts. |
| 9. | De Coningh Salomo heeft sich een *bedde-steedt* Gemaeckt van 't Hout, het welck den Libanon bekleedt. |
9. De koning Salomo heeft zich een *koets* gemaakt van het hout van Libanon. |
| 10. | Pylaren, *daer van dat hy die heeft vast gebouwt* , Die waren Silver, en haer grondt, haer vloer was goudt, En haer gehemelt' was van purper; en ** bespreyt Met liefd', *die in de ziel' van Iudaes Dochters leyt* . |
10. De pilaren *derzelve* maakte hij [van] zilver, haar vloer [van] goud, haar gehemelte [van] purper; *het binnenste* was bespreid met de liefde *van de dochteren van Jeruzalem* . |
| 11. | Ghy Zions Dochters, gaet hier uyt, aenschouwt, en let Op Coningh Salomo, met sijne Kroon', daer met Sijn Moeder op den dagh sijns *Feests* hem heeft gekroont, En op den dagh, doen sijn hert vreughde heeft getoont. |
11. Gaat uit, en aanschouwt, gij, dochteren van Sion! den koning Salomo, met de kroon, waarmede Hem Zijn moeder kroonde op den dag Zijner *bruiloft* , en op den dag der vreugde Zijns harten. |
Cap. IIII. |
||
| (Bruno) |
(Statenvertaling) | |
| 1. | Siet ghy zijt schoon, siet ghy zijt schoone mijn Vriendin, Uw' ooghen zijn gelijck Duyfs ooghen tusschen in Vw' vlechten: als een kudd' der Geyten is uw' haer, Die 't gras van Gilead af-scheert, *en neemt tot haer* . |
1. Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven [ogen] tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten, die [het] [gras] van den berg Gileads afscheren ** . |
| 2. | Vw' tanden zijn gelijck een kudde Schapen, die Geschoren zijn, die uyt de wasch-steed' komen; 'k sie Die brenghen Tweelingen al t' samen voort, en geen Is onder haer die *vrucht- en * jongeloos verscheen. |
2. Uw tanden zijn als een kudde [schapen], die geschoren zijn, die uit de wasstede opkomen; die al te zamen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is ** jongeloos. |
| 3. | Vw' lippen die zijn 't roodt Schar-laken-snoer gelijck, En uwe spraecke, *die ghy voert* , is lieffelijck; Den slaep uw's hoofts, is als ** den appel van Granaet, *En all' 't geen tusschen tuyt* en tusschen vlechten staet. |
3. Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak ** is liefelijk; de slaap uws hoofds is als *een stuk van * een granaatappel ** tussen uw vlechten. |
| 4. | Als Davids tooren is uw' hals, die is gebouwt, Op datmen wapen-tuygh daer in op-hanght *en houdt* : Daer hanghen duysent van Rondassen aen-gehecht, Die alle schilden zijn der Helden *in 't gevecht* . |
4. Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van wapentuig, waar duizend rondassen aan hangen ** , altemaal zijnde schilden der helden ** . |
| 5. | Gelijck twee Welpen zijn uw' borsten *vast geleydt* , Als Tweelinghen des Rhees, die in de Lely weydt. |
5. Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen ** , tweelingen van een ree, die onder de lelien weiden. |
| 6. | Tot dat den dagh aen-komt, en schaduw' zich
verbergh', Sal ick gaen tot den Myrrh-, en tot den Wieroock-bergh. |
6. Totdat de dag aankomt, en de schaduwen vlieden, zal Ik gaan tot den mirreberg, en tot den wierookheuvel. |
| 7. | Geheelijck zijt ghy schoon, o mijn vriendinn', *geen
vleck* *En draeght ghy* , en daer is aen u gantsch geen gebreck. |
7. Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, ** en er is geen gebrek aan u. |
| 8. | Komt van den Libanon, o schoone Bruydt, by my, Komt van den Libanon, by my *of aen mijn zy* . *Komt* tot my van den top van Amana hier op, Komt hier van Senirs en komt hier van Hermons top. Komt van de Wooninghen, van der Leeuwinnen *Woudt.* . Komt van de Berghen, daer de Luypaert sich onthoudt. |
8. Bij Mij van den Libanon af, o bruid! kom bij Mij ** van den Libanon af; *zie* van den top van Amana, van den top van Senir en van Hermon, van de woningen der leeuwinnen ** , van de bergen der luipaarden. |
| 9. | Ghy hebt, ô Suster, ô mijn lieve Bruydt, van
my Genomen, ja ghy hebt genomen 't hert *tot dy* ; Ghy waert die, die my 't hert met 't een der ooghen vongh, Met eene keten, die aen uwen halse hongh. |
9. Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid! gij hebt Mij het hart genomen ** , met een van uw ogen, met een keten van uw hals. |
| 10. | Hoe schoon, uytnemend' is uw' liefd', *hoe munt die
uyt* , O mijne Suster, o mijn *lieffelickste* Bruydt? Hoe veel is beter *uw' Mins overvloedt* , dan wijn? En uwer Oly-reuck, dan Speceryen zijn? |
10. Hoe schoon is uw uitnemende liefde ** , Mijn zuster, o ** bruid! hoeveel beter is *uw uitnemende liefde* dan wijn, en de reuk uwer olien dan alle specerijen! |
| 11. | Van Honigh-zeem drupt u het lippen- *paer* , o Bruyt, En Honigh is 't en Melck, *'t welck uwe tongh besluyt* . En reuck der kleederen *daer met ghy zijt verrijckt* , Die is een reuck, die reuck van Libanon gelijckt. |
11. Uw lippen ** , o bruid! druppen van honigzeem; honig en melk is *onder uw tong* , en de reuk uwer klederen ** is als de reuk van Libanon. |
| 12. | O mijne Suster, o *mijn lieffelijckste* Bruydt, Ghy zijt een Hof, *het welck' men grendelt en besluyt* , Een Well' besloten, zijt ghy in gelijckenis', Ghy zijt als een Fonteyn, dewelck' verzeghelt is. |
12. Mijn zuster, o ** bruid! gij zijt een *besloten * hof, een besloten wel, een verzegelde fontein. |
| 13. | Uw' scheuten, *planten,* zijn alsoo, gelijckerwijs Een App'len-Lust-hof, een Granaten-Paradijs, *Wtnemend', treffelick belaên* met ed'le vrucht, Met Cyprus, Nardus *soet van reuck, en van de lucht* . |
13. Uw scheuten ** zijn een paradijs van granaatappelen, ** met edele vruchten, cyprus met nardus ** ; |
| 14. | De Nardus en Saffraen, de Calmus, en Caneel, Met Boomen, *zijnd' in haer getal met allen veel,* Van Wieroock, Myrrhe, en van Aloë *daer by* , Mitsgaders alle de voornaemste Specery. |
14. Nardus en saffraan, kalmus en kaneel, met *allerlei* bomen van wierook, mirre en aloe ** , mitsgaders alle voornaamste specerijen. |
| 15. | O ghy Fonteyn des Hofs, o levens Wat'ren- *Bron* , Die vloeyen *van de voet des Berghs* van Libanon! |
15. O fontein der hoven, *put* der levende wateren, die *uit* Libanon vloeien! |
| 16. | Ontwaeckt, *ghy* Noorden-windt, en Zuyden-windt, komt
ghy, Door-waeyt my mijn Hof, *en uw' Hof* , ten eynde *hy* *Sijn Specerye doe uyt-vloeyen* ; o quam mijn Lief tot sijn Hof, en at sijn ** vruchten *die daer zijn* ! |
16. Ontwaak, ** noordenwind! en kom, Gij zuidenwind! doorwaai mijn hof ** , *dat zijn specerijen [uitvloeien]* . O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn *edele* vruchten ** ! |
Cap. V. |
||
| (Bruno) |
(Statenvertaling) | |
| 1. | Ick quam in mijnen Hof, o Suster, o mijn Bruyt, Ick pluckte mijne Myrrh', mijn Specery *daer uyt* , Met mijnen Honigh at ick mijnen Honigh-raedt. Ick hebb' my met mijn Wijn, midtsgaders Melck *verzaedt* : Eet, Vrienden, drincket, *die de wil mijns Vaders doet,* En wordet droncken, o mijn *Liefst'* , *door over-vloet* . |
1. Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij ** ; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, mitsgaders Mijn melk *gedronken* . Eet, vrienden! drinkt ** , en wordt dronken, o *liefsten* ** ! |
| 2. | Ick sliep, maer *evenwel* mijn herte *was ontwaeckt* , Mijns Liefstens stemm', *wiens klop de deure had geraeckt* , 't Was doet my open; o mijn Suster, mijn Vriendin, O mijne Duyve, mijn volmaeckte, *na mijn sin* ; Want met de dauw is my mijn hooft vervult *om dy.* *Nat maeckte * 't nacht-gedrup mijn' hayre-locken *my* . |
2. Ik sliep, maar ** mijn hart *waakte* , de stem mijns Liefsten, *Die klopte* , was: Doe Mij open, Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte ** ! want Mijn hoofd is vervuld ** met dauw, ** Mijn haarlokken met nachtdruppen ** . |
| 3. | Ick hebbe *my ontkleedt* , mijn rock van my gedaen. Hoe sal *het zijn* , treck ick *op nieuws* hem weder aen? Ick hebb' mijn voeten *reyn* gewasschen; hoe sal ick Die wêer besoetelen, *en steecken in het slick* ? |
3. Ik heb ** mijn rok uitgetogen, hoe zal ** ik hem ** weder aantrekken? Ik heb mijn voeten ** gewassen, hoe zal ik ze weder bezoedelen ** ? |
| 4. | Van 't gat der deure trock mijn Liefste sijne handt, En sijnenthalven roert sich selfs mijn ingewandt. |
4. Mijn Liefste trok Zijn hand van het gat [der] [deur]; en mijn ingewand werd ontroerd om Zijnentwil. |
| 5. | Ick rees, om voor mijn Liefst' te doen deurs
openingh, En handen drupten my, van Myrrh' *die daer aen hingh* ; Aen mijne vingers was der Myrrhe over-vloedt; Op de handt- *haven* , *die men* voor de sloten *doet* . |
5. Ik stond op, om mijn Liefste open te doen; en mijn handen drupten [van] mirre ** , en mijn vingers [van] vloeiende mirre, op de hand *vaten* ** des slots ** . |
| 6. | Ick, *op-geresen, * hebb' mijn Liefsten op-gedaen, Maer af-gheweecken was mijn Liefst', en door-gegaen. Van weghen sijne spraeck *en troostelijcke stemm'* , Gingh mijne ziel *van my* uyt, en ick socht nae hem, Ick socht hem, maer *mijn Liefst'* vondt ick *aen geener oordt.* Ick riep hem, maer mijn Liefst' en stondt my niet te woordt. |
6. Ik ** deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste was geweken, Hij was doorgegaan; mijn ziel ging ** uit vanwege Zijn spreken ** ; ik zocht Hem, maar ik vond *Hem* *niet* , ik riep Hem, doch Hij antwoordde mij niet. |
| 7. | De Wachters in de Stadt omgaende, vonden my; *Sy deden my verdriet,* sy sloegen my, en sy Verwonden my; de Wacht die op de Mueren gaet, Ontruckte my, en nam mijn sluyer en çieraet. |
7. De wachters, die in de stad omgingen, vonden mij, ** zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren ** namen mijn sluier van mij. |
| 8. | Ghy *Iudaes* Dochters, *die mijn' Speel-genooten heet,* Siet ick besweere u, *beveel' u op uw' eedt,* Wat sult ghy seggen, soo ghy eens mijn Liefste vindt? Dat ick kranck ben van liefd' *tot die mijn' ziel bemint* . |
8. Ik bezweer u ** , gij dochters van *Jeruzalem* ** ! indien gij mijn Liefste vindt, wat zult gij Hem aanzeggen? Dat ik krank ben van liefde ** . |
| 9. | Wat *moet* uw' Liefst' meer dan een ander zijn *geacht* , O ghy, die schoonste zijt van 't Vrouwelijck geslacht? Wat *waerdigheydt* is 't die uw' Liefste meerder voert, Dan *eenigh* ander ** , dat ghy ons soo seer beswoert? |
9. Wat is uw Liefste meer dan een [ander] liefste ** , o gij schoonste onder de vrouwen! wat ** is uw Liefste meer dan een ** [ander] *liefste* , dat gij ons zo bezworen hebt! |
| 10. | Mijn Liefst' is blanck en roodt, *nae welcke dat ghy vraeght,* Hy ist die de Banier selfs *voor* thien duysent draeght. |
10. Mijn Liefste is blank en rood ** , Hij draagt de banier *boven* tien duizend. |
| 11. | Sijn hooft is van het fijnst', het dichtste goudt, sijn
hayr, Sijn locken zijn gekrult, swart of 't een Raven waer. |
11. Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; Zijn haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf. |
| 12. | Sijn' oogen zijn *seer klaer, van suyv're, held're
schijn,* Als Duyven-ooghen, die by water-stroomen zijn. *Soo wit als of men die* met Melck gewasschen *hadt* , Soo staend', als in de Kas der Ringhen in-gevat. |
12. Zijn ogen zijn ** als der duiven bij de waterstromen, ** met melk gewassen ** , staande [als] in kasjes [der] [ringen]. |
| 13. | Sijn' wangen zijn gelijck een specerye-bedt, Als torenkens *daer men 't wel-rieckend' binnen set* ; Sijn lippen zijn gelijck, als Lelyen, van vloedt Der Myrrhe druppend', *tot verquickingh van 't gemoedt* . |
13. Zijn wangen zijn als een bed van specerijen, [als] *welriekende* torentjes; Zijn lippen zijn [als] lelien, druppende van vloeiende mirre ** . |
| 14. | Sijn' handen zijn gelijck als goude Ringen, sy Zijn met Turkois ghevult; *de borst* , de buyck *daer hy* *Het ingewandt in sluyt* , is als het Elpen-been, 't Welck blinckt; en de Sapphyrs- *wit* loopt daer over heen. |
14. Zijn handen zijn [als] gouden ringen, gevuld met turkoois; ** Zijn buik ** is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren ** . |
| 15. | Als Marmer-pylaers zijn sijn' schenckelen, gegrondt Op voeten van het Goudt, van 't dichtste datmen vondt. Gelijck de Libanon komt sijn gestalt ten toon, Als Ced'ren uyt-verkoor'n, *en lieffelijck, en schoon* . |
15. Zijn schenkelen zijn [als] marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; Zijn gestalte is als de Libanon, uitverkoren als de cederen ** . |
| 16. | All' sijn gehemelt' is vol enck'le soetigheydt, En al wat aen hem is, verweckt begheerlijckheydt; Mijn Liefste is sulck een, jae sulck een is mijn Vriendt, Ghy Dochters *Iuda* , *sulck een is 't dien mijn hert dient* . |
16. Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste; ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van *Jeruzalem* ** ! |
Cap. VI. |
||
| (Bruno) |
(Statenvertaling) | |
| 1. | Waer is uw' Liefst' gegaen, waer heen is hy gekeert, O ghy, dewelcke men voor schoonst' der Wijven eert? Waer henen heeft u Liefst' het aengesicht gewendt, Op datmen hem met u soeck', *waer hy zy belendt* ? |
1. Waar is uw Liefste heengegaan, o gij schoonste onder de vrouwen? Waarheen heeft uw Liefste het aangezicht gewend, opdat wij Hem met u zoeken ** ? |
| 2. | In sijnen Hof is mijn *herts* Liefsten af-gegaen, Tot Beddekens, daer op de Speceryen staen, Op dat sy in 't vermaeck van sijne Hoven weyd', En Lelien vergaer', *dewelcke zijn verspreyt* . |
2. Mijn ** Liefste is afgegaan in Zijn hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de lelien te verzamelen ** . |
| 3. | Ick ben mijns Liefsten, en mijn Liefste die is mijn', Die weydt by 't Lely-veldt, *daer in sijn' Schapen zijn* . |
3. Ik ben mijns Liefsten, en mijn Liefste is mijn, Die onder de lelien weidt ** . |
| 4. | O mijn' Vriendinne, ghy zijt schoon, ghy zijt gelijck Als Thirza is, ghy zijt *aen-minnigh* , lieffelijck, Gelijck Ierusalem: ghy zijt vol schricklijckheydt, Gelijck slagh-ordens, diemen met banieren leydt. |
4. Gij zijt schoon, Mijn vriendin, gelijk Thirza, ** liefelijk als Jeruzalem, schrikkelijk als [slagorden] met banieren. |
| 5. | Laet uwe ooghen van my wesen af-ghewent, Want sy doen my geweldt aen, *ben ick daer ontrent,* Vw' hayr is even soo, gelijck een Geyten-kudd', Die 't gras van Gileads bergh af-scheert *ende schudt* . |
5. Wend uw ogen van Mij af, want zij doen Mij geweld aan ** ; uw haar is als een kudde geiten, die [het] [gras] van Gilead afscheren ** . |
| 6. | Vw' tanden zijn gelijck een kudde Schapen, die Op-komen uyt de steed' des Wasschers, die ick sie Dat tweelingen al t' saem voort-brengen, ende geen Is onder haer, die *vrucht- en* Iongeloos verscheen. |
6. Uw tanden zijn als een kudde schapen, die uit de wasstede opkomen, die al te zamen tweelingen voortbrengen, en onder dezelve is geen ** jongeloos. |
| 7. | Vw' Wangen zijn als 't stuck van d' Appel van
Granaet, En *all' 't geen tusschen tuyt * en tusschen vlechten staet. |
7. Uw wangen zijn als een stuk van een granaatappel ** tussen uw vlechten. |
| 8. | Der Coninginnen sal sijn tsestigh, tachtigh sal, Zijn der By-wijven, en der Maeghden geen getal. |
8. Er zijn zestig koninginnen en tachtig bijwijven, en maagden zonder getal. |
| 9. | Een eenigh' is *mijn deel en mijn vol-maeckte Bruydt* : De eenighe is sy die uyt haer Moeder spruyt: Sy is de suyv're vrucht, van die haer heeft ghebaert, Als sy voor Docht'ren oogh *sal zijn geopenbaert* , Wel-gelucksaligh sal sy zijn van haer genoemt, Van By-wijf, Coninginn', gepresen en geroemt. |
9. Een enige is *Mijn duive, Mijn volmaakte* , de enige harer moeder, zij is de zuivere dergenen, die haar gebaard heeft; als de dochters *haar zien* , zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen. |
| 10. | Wie is sy, die daer uyt siet *even minnelijck* , Gelijck de dageraet, soo fray, soo schoon, ghelijck De Maen, soo suyver als de Son, soo schrickelijck Als *de Banieren * met Banieren te gelijck? |
10. Wie is zij, die er uitziet ** als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als *[slagorden]* met banieren? |
| 11. | 'k Ben af-gegaen ten Hof der Noten van Muskaet, Te sien de groene-vrucht, die in Valleyen staet; Te sien of 't bloeyen al *mijn* Wijnstock over-koom', En of 't uyt-botten zy op *mijn* Granaten-boom. |
11. Ik ben tot den notenhof afgegaan om de groene vruchten der vallei te zien; om te zien, of de ** wijnstok bloeide, de ** granaatbomen uitbotten. |
| 12. | *Ick settede mijn ziel'* , eer ick het wiste, ras Op wagens van mijn volck, het welck' vrywilligh was. |
12. Eer ik het wist, *zette mij mijn ziel* [op] de wagens van mijn vrijwillig volk. |
| 13. | Keert weder, weder-keert, keert weder, Sulamith, Keert weder, op dat ons oogh u met vreughde siet. Wat siet ghy-lieden doch de Sulamith soo aen? Sy is gelijck een rey, daer in twee heyren staen. |
13. Keer weder, keer weder, o Sulammith! Keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren. |
Cap. VII. |
||
| (Bruno) |
(Statenvertaling) | |
| 1. | Ghy Princen Dochter, o hoe schoon zijn in uw' schoen Vw' gangen! draeyingen *die men uw' heup siet doen* , Zijn als de ketens en het kostelijck *çieraet* , 't Welck van des konstenaers handt, als sijn werck, af gaet. |
1. Hoe schoon zijn uw gangen in de schoenen, gij prinsendochter! de omdraaiingen *uwer heupen* zijn als kostelijke ketens ** , zijnde het werk van de handen eens kunstenaars. |
| 2. | Vw' navel is, gelijck een ronde beecker is, Dien geenen dranck ontbreeckt, *tot zielen laeffenis,* Uw' buyck is even als een hoop van Tarwe, en Rondtom met *Roos* beset, *betuynt* met Lelyen. |
2. Uw navel is [als] een ronde beker, dien geen drank ontbreekt ** ; uw buik is [als] een hoop tarwe, rondom ** bezet met ** lelien. |
| 3. | Gelijck twee Welpen, zijn uw' Borsten *vast geleydt* Als tweelingen des Rhees, *die in de Lely weydt* . |
3. Uw twee borsten zijn als twee welpen ** , tweelingen van een ree ** . |
| 4. | Als d' Elpen-beenen Toorn, soodanigh is uw' hals; Uw' ooghen *des verstants* die zijn soodanigh als De Vijvers *van de Visch* , die 't *schoone* Hesbon in Sich heeft besloten, by de poort van Bath-rabbin: Vw' Neus is als de toorn van Libanon, *die light* *Damascus tegen, en haer heeft in het gesicht* . |
4. Uw hals is als een elpenbenen toren, uw ogen ** zijn [als] de vijvers ** te ** Hesbon, bij de poort van Bath-rabbim; uw neus is als de toren van Libanon, die *tegen Damaskus ziet* . |
| 5. | V Hooft op V is als de Carmel, d' hayren-bandt Vw's Hoofts, die is ghelijck *'t best' Purper van het Landt:* De Coningh is alsoo, gelijck als of hy zy Gebonden aen *'t gebouw van* elcke Galery. |
5. Uw hoofd op u is als Karmel, en de haarband uws hoofds als *purper* ; de koning is [als] gebonden op ** de galerijen. |
| 6. | O liefde, o hoe schoon zijt ghy, wat lieflijckheydt, En isser niet, die *'t schuyl * in uw' wellusten *leydt* ! |
6. Hoe schoon zijt gij, en hoe liefelijk zijt gij, o liefde, ** in wellusten! |
| 7. | Dees' uwe lenght' heeft met den Palm-boom dit gemeen En uwe Borsten zijn, met Druyve-trossen een. |
7. Deze uw lengte is te vergelijken bij een palmboom, en uw borsten bij [druif] trossen. |
| 8. | Ick seyde, klimmen sal ick op den Palmen-boom, Ick sal sijn tacken dan aengrijpen, als ick koom' Op desen Palmen-boom, uw' Borsten sullen dan *Door mijne zegen, en vervullinghe daer van* , Als Druyven-trossen aen de *vruchtb're* Wijnstock staen, En uwe neus-reuck sal als app'len reuck uyt-gaen. |
8. Ik zeide: Ik zal op den palmboom klimmen, ik zal zijn takken grijpen; zo zullen dan uw borsten zijn ** als [druif] trossen aan den ** wijnstok, en de reuk van uw neus als appelen. |
| 9. | En uw' ghehemelt' sal zijn als de goede wijn, Die *nae gerechtigheydt* , *recht toe, recht aen* , tot mijn Beminde gaet, en die de lippen *roerend' maeckt* , En maeckt, dat hy die slaept tot spreecken wêer ontwaeckt. |
9. En uw gehemelte als goede wijn, die ** *recht* tot mijn Beminde gaat, doende de lippen ** der slapenden spreken. |
| 10. | Ick ben mijns Liefsten, en sijn *herts* genegentheydt Die is tot my, *hy heeft sijn liefd' op my geleydt* . |
10. Ik ben mijns Liefsten, en Zijn ** genegenheid is tot mij ** . |
| 11. | Mijn Liefste, komt en laet ons uytgaen in het
veldt; Laet ons vernachtend' op de Dorpen zijn gestelt. |
11. Kom, mijn Liefste! laat ons uitgaan in het veld, laat ons vernachten op de dorpen. |
| 12. | Laet nae de wijnbergh ons gaen met den dageraet, Sien of de wijn-stock bloeyt, hoe 't jonge Druyfkens gaet, Of die haer open doen, Granaet haer bot uyt-breydt; 'K sal daer u gheven all' mijn liefds uytnementheydt. |
12. Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaatappelbomen uitbotten; daar zal ik U mijn uitnemende liefde geven. |
| 13. | De Dudaîm* geven reuck, *seer aengenaem en
soet* , Aen onse deuren is *een vollen overvloedt* Van alle ed'le vrucht, van nieuw' en oud': O mijn *Ziels* Liefste, *die zijn 't die voor u behouden zijn* . |
13. De dudaim geven reuk ** , en aan onze deuren zijn *allerlei* edele vruchten, nieuwe en oude; o mijn ** Liefste! *die heb ik voor U weggelegd* . |
Cap. VIII. |
||
| (Bruno) |
(Statenvertaling) | |
| 1. | Och *of het waer* , dat ghy my als een Broeder waert, En 's Moeders Borsten sooght *dewelck' my heeft gebaert* ! Ick soud' u kussen, soo ick u vond' op de straet; Oock soud' ick niet van haer veracht zijn, *noch versmaet* . |
1. Och ** , dat Gij mij als een Broeder waart, zuigende de borsten mijner moeder ** ! dat ik U op de straat vond, ik zou U kussen, ook zouden zij mij niet verachten ** . |
| 2. | Ick soud' u leyden, 'k soud' u *met eerbiedigheydt* Gaen brengen, daer het huys van mijne Moeder leydt. Ghy soudt my leeren: ick soud' u van specery Wijn geven en van 't sap van de Granaet *by my* . |
2. Ik zou U leiden, ik zou U ** brengen in mijner moeders huis, Gij zoudt mij leren; ik zou U van specerijwijn te drinken geven, en van het sap van mijn granaatappelen ** . |
| 3. | Sijn' slinckerhandt rust by my onder d' hoofden-kant, En hy omhelsde my met sijne rechter-handt. |
3. Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij. |
| 4. | Ghy Dochteren, die zijt daer in Ierusalem, Siet ick besweere u, *met dese mijne stemm',* Dat ghy die liefd' niet weckt, noch wacker *uyt de rust* En maeckt, tot dat het selfs de selve *smaeckt en* lust. |
4. Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem ** ! dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker ** maakt, totdat het [dezelve] ** lust! |
| 5. | Wie is sy, die daer op klimt de Woestijne uyt, En die haer lieflijck op haer Liefsten leunt, *die Bruydt* ? 'k Heb onder d' Appel-boom u op-geweckt, daer heeft V Moeder, *door welcks pijn en arbeydt dat ghy leeft* , Daer heefts' u voort-gebracht met smerten *op der aerd'* , Daer heefts' u voort-gebracht, sy die u heeft gebaert. |
5. Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn, en liefelijk leunt op haar Liefste ** ? Onder den appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft u uw moeder ** met smart voortgebracht, daar heeft zij [u] met smart ** voortgebracht, [die] u gebaard heeft. |
| 6. | Set my, gelijck als een vast Zegel op u hert, *Geeft dat ick op uw' arm, gelijck een Zegel werdt* ; Want sterck is liefde, *die men in de Bruydt bevindt* , Gelijckerwijs de doodt, *die alles overwint* . Hart is *haer* yver, als het graf; haer kolen- *kracht* Van vyer, 't sijn vlammen, die de Heer heeft voort-gebraght. |
6. Zet mij als een zegel op Uw hart, *als een zegel op Uw arm* ; want de liefde ** is sterk als de dood ** ; *de* ijver is hard als het graf; haar kolen ** zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN. |
| 7. | Van wat'ren kon dees minn' niet wesen uyt-gedaen; Iae geen Rievier kon die verdrinckend' doen vergaen. Al gaf een voor dees' liefd' sijns huysen heele schat, Men soud' hem t' eenemael versmâen *met 't geen hy hadt* . |
7. Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblussen; ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken; al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zou hem te enenmale verachten ** . |
| 8. | Een kleyne Suster *die noch minder-jarigh leeft* , Die hebben wy, en die noch geene Borsten heeft: Wat sullen wy doen met ons' Suster in 't geval Des daghs, in welcke dat men van haer spreecken sal? |
8. Wij hebben een kleine zuster ** , die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen in dien dag, als men van haar spreken zal? |
| 9. | Soo sy een muur is, *en bevestight, ende sterck,* Wy bouwen een Paleys op haer van silver-werck: En met een Ced'ren-planck, soo sy een deure zy, Sal sy van ons dan zijn beset *aen elcke sy'* . |
9. Zo zij een muur is ** , wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zo zij een deur is, wij zullen haar *rondom* bezetten met cederen planken. |
| 10. | Ick ben een muur, *ick ben bevestight ende sterck* , En mijne borsten sijn gelijck als toornen- *werck* . Doe was ick in sijn oogh, *hy had my soo bemint,* Gelijckerwijs als een, de welcke vrede vindt. |
10. Ik ben een muur ** en mijn borsten zijn als torens ** . Toen was ik in Zijn ogen ** als een, die vrede vindt. |
| 11. | *Voor sich* hadt Salomo een Wijngaerts-stock *geplant* , Te Baäl-Hamon: *in een vruchten-dragend' Landt,* Dees Wijngaert gaf hy aen de Hoeders, yder bracht Doen duysent silv'ren, voor des selven vrucht *en Pacht* . |
11. ** Salomo had een wijngaard ** , te Baal-hamon ** ; hij gaf dezen wijngaard aan de hoeders, een ieder bracht voor deszelfs vrucht ** duizend zilverlingen. |
| 12. | Mijn' Wijngaert, dien ick hebb', is voor mijn aensicht; Soo Zijn duysent sickels oock voor u, o Salomo, Maer de twee hondert, *die daer noch zijn op-gebracht* , Zijn voor de Hoeders van de vrucht *en van de pacht* . |
12. Mijn wijngaard, dien ik heb, is voor mijn aangezicht; de duizend [zilverlingen] zijn voor u, o Salomo! maar tweehonderd ** zijn voor de hoeders van deszelfs vrucht ** . |
| 13. | Ghy Hoof-bewoonster, op uw' stemm' *en op uw' woordt* Slaen met-gesellen acht, laet 't zijn van my gehoort. |
13. O gij bewoonster der hoven! de metgezellen merken op uw stem ** ; doe ze Mij horen. |
| 14. | Komt haestelijck, mijn Liefst', weest als een Rhee, weest ghy Een Welp der Herten op den Bergh van Speçery. |
14. Kom haastelijk, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen. |