Inhoudsopgave van dit hoofdstuk
Het Hooglied is in de zeventiende eeuw meerdere malen berijmd8. Blom9 speculeert over de reden van de populariteit van het Hooglied en zoekt die in de mogelijkheid voor gebruik op school. De stof van het Hooglied zou geschikt zijn om Rome te bestrijden en toch ook een meer persoonlijk-emotionele lading hebben. Daardoor zou het Hooglied kunnen hebben fungeren als tegenhanger van de Marialiederen op de scholen van de Jezuïeten.
Ik zal mij niet aan deze speculaties wagen. De verklaring van Blom gaat in elk geval alleen op voor de 'zingbare' Hoogliedberijmingen (zoals die van Beeckman, over wie Blom schrijft). Bovendien was niet alleen het Hooglied populair: ook de Klaagliederen en (vooral) de Psalmen werden veel berijmd.
Jacobus Revius nam een Hoogliedberijming10 op in zijn Over-Ysselsche Sangen en Dichten. Juist omdat het werk enorm verschilt van het werk van Bruno, is het nuttig er kort aandacht aan te besteden. De berijming die Revius geeft is vrij. Hij volgt niet letterlijk de tekst van de Bijbel maar geeft een interpreterende weergave. Waar de Statenvertaling11 zegt 'Mijn Liefste is blank en rood' (Hooglied 5:10) zegt Revius:
Mijn Lief is wit, gants reyn en onbesmettet.
Mijn Lief is root int minnen bloet ghenettet12.(Revius, Jacobus: Hoghe Liedt, Vijfde Ghesanck, strofe 9.)
Een ander voorbeeld van een interpolatie met religieus taalgebruik is:
Nu wil ik hem al mijn leven
Niet begeven
Maar hem eeuwich blijven by.(Revius, Jacobus: Hoghe Liedt, Derde Ghesanck, strofe 5.)
Wel heel expliciet, en zonder parallel in de tekst van de Statenvertaling, is:
Hoe onsalich was de stonde,
Doe13 de sonde
Hiel mijn siel geboeijet vast:
Als in weeld' ick sliep en sluymde
En versuymde
Mijn bevolen sorg' en last!(Revius, Jacobus: Hoghe Liedt, Derde Ghesanck, strofe 1.)
De interpreterende elementen in de eigenlijke tekst worden geëxpliciteerd door de korte beschrijvingen van de inhoud die Revius aan de gezangen vooraf laat gaan. Aan het derde gezang gaat vooraf:
De Kercke in vrede sijnde verslapt in yver ende genade. Soeckt versterckinge by de Leraers. De selve gevonden hebbende, belooft stantvasticheyt. dreycht alle beroerders ende scheurmakers. Haer heerlicheyt ende vrymoedicheyt nade becoringhe. De bewaeringe Christi, het Euangelium, de Salicheyt: geleken by Salomoms lijf guarde, sijn Coetswagen, sijn trou-dagh.(Revius, Jacobus: Hoghe Liedt, 'Inhout' Derde Ghesanck.)
De berijming wordt ingeleid door een 'Ghebet' in de vorm van een sonnet. Het sextet luidt:
Ah! schenckt mijn dorre siel een dropken vande bron
Die vloeyde uut de borst uus Herders Salomon 14:
Laet clincken in mijn dicht het snerren15 sijner snaren:
Terwijl ghy door de hant van Maurits16 uwen helt
Doet bulderen de Zee en daveren het velt
Om t'huys van uwe Bruyt17 voor inval te bewaren.(Revius, Jacobus: Hoghe Liedt, p. 41.)
Voor Revius, zoveel is duidelijk, is de bruid niet zomaar 'de kerk', maar vooral de (Nederlandse) gereformeerde kerk.
In technisch opzicht valt aan Revius' berijming op dat elke zang een eigen strofevorm heeft. Bij elke zang wordt een wijsaanduiding gegeven (een psalm of een ander geestelijk lied). De regellengte wisselt. Het rijm is wisselend gepaard, gekruist of omarmend.
De berijming door Bruno zal blijken in de meeste genoemde opzichten af te wijken van die door Revius: Bruno houdt zich zeer letterlijk aan de bijbeltekst, hij geeft geen toelichtingen en hij kiest een strakke versvorm die zeker niet bedoeld zal zijn geweest om te zingen. Mogelijke verklaringen voor deze verschillen suggereren zichzelf18: Revius was behalve letterkundige ook predikant, Bruno was alleen letterkundige. Voor Revius was het zijn dagelijks werk bijbelteksten te verklaren of nog eens op andere wijze te verwoorden; vandaar zijn eigen interpolaties en de korte beschrijvingen van de inhoud per hoofdstuk. Bruno had zijn theologische opleiding niet afgemaakt en het ligt voor de hand te veronderstellen dat hij zich minder vrij zal hebben gevoeld op eigen gezag de bijbeltekst uit te breiden. Dat Bruno geen zingbare berijming maakte kan verklaard worden uit het latere ontstaan van zijn berijming: in 1656 werd de liedvorm niet meer beschouwd als serieuze literatuur - in Revius' tijd was dat nog niet zo19.
Bruno heeft in het voorwoord van de druk van 1658 een bericht aan de lezer opgenomen waarin hij zijn poëticale uitgangspunten heeft beschreven. Ik geef het hierna weer:
Aen den leser
Beminde en bescheydene20 leser,Veel woorden21, volgens 't gemeene spreeckwordt, vullen geen Sack, en sullen veel min een goedt werck quaedt, of quaedt goedt maken. 't Gelieve derhalve U E. soodanighen oogh over 't mijne te laten gaen, soodanigen handt daer aen te slaen, met soodanigen hert hetselfde op te nemen, als ghy van een ander over het uwe soudt wenschen en verwachten. Siet men op de stoffe en inhoudt mijns wercks, die is soo verre boven de menschelijcke lof, als wy alle beneden de Goddelijcke zijn; sietmen op my, die de Mannen Godts, den verduldigen Iob, den Predikenden, Spreuck-rijcken, Hoogh-zingenden Salomon22, en Laegh-schreyenden Ieremias, in Neder-duytsche rijm, daertoe van goede Heeren en vrienden versocht zijnde, en by de woorden van de Text, soo veel mogelijck was, blijvende, hebbe gebraght, dan weet ick wel, dat de stoffe, door het kleedt, daer in ick die gesteecken hebbe, een on-uyt-spreeckelijck rockje sal uyt-trecken23. Maer wat sal ick dan tot mijne verantwoordinge seggen? Niet anders, dan dat mijn wil soo goedt geweest is, als geens menschen macht konde wesen. Willende derhalven ock UE. te gemoedt voeren, dat ick met voor-dacht my aen Rijm-wetten van twaelf en derthienen24, van man-grooten25, gelijckmen die noemt, en van stooters26, &c. hier en daer somtijds, op weynige plaetsen, niet hebben willen stooten of binden, maer in sulcken gevalle alleen de drift des inckts, soo als die uyt de Penne viel, achtervolgen, om dat ick my in desen meer oordeelde aen de stoffe dan aen 't stofferen gebonden en gelegen te wesen.
UL. Dienst-willigen
Henrick Bruno(Bruno, Henrick: Het boeck Jobs, (...) Hooghe-liedt, p. *iii(v))
De laatste zinnen van dit citaat suggereren dat Bruno aan de vorm van zijn berijming, aan het 'stofferen' , maar weinig aandacht heeft willen besteden. Die suggestie is, althans voor het Hooglied27, niet helemaal terecht. De hele berijming is geschreven in alexandrijnen. Alle regels hebben twaalf lettergrepen, met voorzover ik zie 2:1.2 ('En Lelie die in de Dalen is gheplant.' ) als enige uitzondering. Het rijm is eenvoudig maar strak volgehouden (overal gepaard mannelijk rijm). 'Man-groten' heb ik niet aangetroffen28.
Het zijn eigenlijk vooral de onhandigheden in rijm, metrum en soms formulering waarin er misschien wél sprake is van het 'de drift des inckts, soo als die uyt de Penne viel, achtervolgen' . Zo laat Bruno 'ick' rijmen op 'lieffelick'29 en 'tralien' op 'kenn'30. Het rijm in combinatie met het metrum leidt soms tot moeizame lezingen, bijvoorbeeld in 7:8.5-6:
Als Druyven-trossen aen de vruchtb're Wijnstock staen,
En uwe neus-reuck sal als app'len reuck uyt-gaen.
Ook Bruno's formuleringen zijn soms wat ongelukkig; waar de Statenvertaling de begrijpelijke mededeling doet 'Uw olien zijn goed tot reuk' 31 rijmt Bruno 'Vw' Oly-reuck is goedt' , wat eigenlijk alleen maar te begrijpen is voor wie het origineel kent.
De verklaring voor de verschillende onhandigheden moet waarschijnlijk worden gezocht in de opgave die Bruno zich heeft gesteld: 'by de woorden van de Text, soo veel mogelijck was, blijvende' een qua rijm en metrum kloppende berijming te vervaardigen. Waar Bruno niet aan de restricties van een voorbeeldtekst gebonden is (zie bijvoorbeeld het lijkdicht voor De Groot waarmee de druk van 1656 opent) valt op hoe veel soepeler en krachtiger hij zich weet uit te drukken.
Het is in dit verband interessant te wijzen op de voorrede bij Bruno's vertaling van Vergilius' Eclogae. Bruno haalt er Huygens en Vondel aan om te beargumenteren waarom het onmogelijk is een berijmde vertaling van de Eclogae te geven zonder af te doen aan de inhoud. Die onmogelijkheid is de reden 'dat ick in dese gherijmde vertalinghe van de Harders-kouten de Poët niet alles, ofte niet soo wel, ('t gheen beyde on-moghelijck is) in mijn Moeders tael doe seggen, als hy in de sijne geseydt heeft' (Vergilius: Eclogae, ofte harders-kouten, p. 4).
Het titelblad van de druk van 1656 beschrijft het werk als 'na de laetste oversettinge des Bibels berijmt door Henrick Bruno' . Zoals we al zagen in de vorige paragraaf heeft Bruno het werk ook ondernomen 'by de woorden van de Text, soo veel mogelijck was, blijvende' .
Als we nu Bruno's tekst vergelijken met de tekst van de Statenvertaling, want dat is natuurlijk de 'laetste oversettinge' waarover het titelblad spreekt, dan blijkt dat de verschillen inderdaad opvallend gering zijn.
Een goede indruk van Bruno's trouw aan de letter van de Statenvertaling geeft zijn berijming van het laatste vers:
Komt haestelijck, mijn Liefst', weest als een Rhee, weest ghy
Een Welp der Herten* op den Bergh van Speçery.
De Statenvertaling32 zegt:
14. Kom haastelijk, mijn Liefste! en wees Gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen.
De meeste verschillen tussen Bruno's tekst en die van de Statenvertaling vallen in één van de volgende categorieën:
Wijzingen zoals hierboven opgesomd behoeven in het algemeen geen andere verklaring dan de motivaties van rijm en metrum. Voor de overige afwijkingen van de Statenvertaling geldt dat ze voor een belangrijk deel ontleend zijn aan de kanttekeningen die in de Statenvertaling de eigenlijke tekst vergezellen. Zeker in de gevallen waar Bruno's tekst werkelijk andere of nieuwe betekenis introduceert, is dat bijna steeds het geval. In de noten bij de betreffende passages heb ik dan steeds de kanttekening geheel of gedeeltelijk aangehaald. Hier noem ik verder alleen de voornaamste passage.
De meest significante afwijking van de tekst van de Statenvertaling veroorlooft Bruno zich in zijn vertaling van het eerste vers:
Dit59 is het Hooghe-liedt60, dit is het Lied'ren Liedt61,
't Welck62 Salomons is, en op Iesus Christus siet,
Wiens Voorbeelt* dat hy was door wijsheyt*, leer en throon.*
Dit is het Bruylofts-Liedt* van Godts* Kerck* en Godts* Soon.
De Statenvertaling zegt eenvoudigweg:
1. Het Hooglied, hetwelk van Salomo is.
In deze afwijking volgt Bruno nauwgezet de kanttekeningen. De toevoeging 'dit is het Lied'ren Liedt' is afkomstig uit de eerste kanttekening:
Hebreeuws, het Lied der liederen; dat is, een zeer schoon en bovenmate treffelijk lied. Zie de aantekening Gen. 9:25.(Statenvertaling, Kanttekeningen, Hooglied 1, no. 1.)
De toevoegingen van de tweede en derde regel zijn onleend aan de tweede kanttekening:
Anders, hetwelk Salomo aangaat. Verstaande door Salomo Jezus Christus, wiens voorbeeld Salomo geweest is in koninklijke hoogheid en glorie, alsook in wijsheid en in het onderwijzen des volks.(Statenvertaling, Kanttekeningen, Hooglied 1, no. 2.)
De kanttekening laat dus de mogelijkheid open dat Salomo niet de auteur van het Hooglied is, maar dat het boek op een andere wijze op hem betrekking heeft. De Kanttekeningen, en Bruno met hen, beschrijven Salomo als 'voorbeeld' van Christus, als een prefiguratie of voorafschaduwing. Van die voorafschaduwing worden drie aspecten genoemd: 'koninklijke hoogheid en glorie' (Bruno: 'throon' ), 'wijsheid' en 'het onderwijzen des volks' (Bruno: 'leer' ).
De laatste regel van dit vers, 'Dit is het Bruylofts-Liedt* van Godts* Kerck* en Godts* Soon.' kan Bruno ontleend hebben aan de korte beschrijving van de inhoud van het Hooglied die in de Statenvertaling aan de eigenlijke vertaling voorafgaat. Het Hooglied wordt er (o.a.) gekenmerkt als 'Het is een gesprek tussen CHRISTUS als Bruidegom en de Bruid, zijne kerk, onder het voorbeeld van Salomo en zijne Bruid' (Aangehaald uit: Verduin, M: Canticum canticorum, p. 788).
Een experimentele visuele weergave van de verschillen tussen de twee teksten is opgenomen in Visuele weergave van de verschillen Bruno-Statenvertaling